St.Vincentiuskerk Deursen


de verering van Sint Vincentius

Vincentius Madelgarius van Zinnik

Tot 1100 waren er in het gebied dat nu Noord Brabant is, geen abdijen gevestigd. Wel waren er bezittingen van abdijen die elders gevestigd waren. Zo had het Vincentiuskapittel van de abdij van Zinnik (Soignies) bezittingen in Dennenburg en Deursen (ook wel Dorne genoemd ) evenals in Velp en Weurt en wellicht ook in Herpen. Zinnik ligt midden tussen Brussel en Mons in Henegouwen; 170 km van Deursen.

Het middennederlandse rivierengebied behoort tot de vroegst bewoonde en sinds de middeleeuwen dichtsbewoonde gebieden van Nederland. De strategische betekenis van de rivieren, de wegen erlangs, de rivierhavens en de rivierovergangen voor de handel en het militaire verkeer leidden tot koninklijke interesse voor het gebied. De Karonlingische vorsten stonden grote delen af aan kerkelijke instellingen. Zo kreeg de abdij van Lorsch bezittingen o.a in Herpen, het kathedrale kapittel van Sint Lambertus in o.a. Deursen en Lith; het kapittel van Onze Lieve Vrouw te Hoei in Lith en Neerlangel, de abdij van Echternach o.a. in Demen, Deursen en Dennenburg.

De Vincentius van het kapittel van Zinnik is Vincentius Madelgarius een andere dan de Vincentius die nu patroonheilige is. Blijkbaar is in de zeventiende eeuw de band met het Sint Vincentiuskapittel in Zinnik verloren gegaan.

Vincentius Madelgarius werd volgens de overlevering geboren in 607 te Strépy (nabij Binche), uit het koninklijk bloed van de Merovingers. Hij werd graaf van Henegouwen en trouwde rond 635 met ene Waltrudis. Het echtpaar kreeg vier kinderen, die zij een voorbeeldige, christelijke opvoeding schonken. Nadat deze kinderen de volwassen leeftijd hadden bereikt, besloten Madelgarius en Waltrudis zich uit de wereld terug te trekken, om kloosterling te worden. Waltrudis werd de stichteres van de stad Bergen. Madelgarius stichtte in 642 de abdij van Hautmont (nabij Maubeuge) aan de Samber, en werd er het volgende jaar kloosterling onder de naam Vincentius.

Zijn vrome leven en zijn reputatie als geestelijk leider zette vele van zijn vrienden ertoe aan zijn voorbeeld te volgen. Het klooster kende zoveel bijval dat hij, aan het einde van zijn leven, besloot de rust op te zoeken (± 670) op zijn landgoed te Zinnik. Hij stichtte daar de abdij, waar hij op 14 juli 677 ook overleed en begraven werd. De stad Zinnik zou later rond de abdij groeien. Onder de naam Sint-Vincentius werd hij heilig verklaard.

Zijn echtgenote Waltrudis en hun vier kinderen werden ook allen heilig verklaard.

Vincentius Martelaar

Volgens de legende is deze Vincentius samen met zijn bisschop Valerius van Valencia gevangen genomen tijdens de christenvervolgingen aan het begin van de 4e eeuw onder keizer Diocletianus (284-305). Ze werden in de kerker geworpen met de bedoeling dat ze daar de hongerdood zouden sterven. Na geruime tijd nam de stadhouder aan dat ze lichamelijk behoorlijk verzwakt en uitgeput waren en de dood al in de ogen zagen. Toen liet hij ze voor zich verschijnen om ze over te halen hun God af te zweren. Maar beiden bleken nog kerngezond en in blakende conditie.

Volgens een andere legende werd hij in zee geworpen met een molensteen om zijn nek, maar bleef hij gewoon drijven.

Woedend veroordeelde de stadhouder de oude bisschop tot verbanning en Vincentius tot de marteldood. Hij liet hem bijna vierendelen, gedeeltelijk villen en roosteren. Maar Vincentius stierf niet. Nu werd hij in een vochtige en donkere kerker geworpen, waarvan de bodem bezaaid lag met glasscherven en scherpe steentjes. Hier mocht hij met zijn gewonde lichaam de dood afwachten. Maar er kwamen engelen om hem te troosten en de pijn weg te nemen. Ze verdreven de duisternis en veranderden de scherven en steentjes in bloemen. Zoals Vincentius' luide lofzang voor God door heel de gevangenis weerklonk, zo verspreidde zich ook de geur van de bloemen. Toen de stadhouder ervan hoorde, was hij ontzet. Hij beval dat de martelaar verzorgd en verpleegd moest worden. Hij moest genezen, want de machthebber was bang voor de reactie van het volk, als het zou horen dat Vincentius in de gevangenis zou zijn omgekomen.

Maar nauwelijks lag Vincentius in een zacht, schoon bed, of hij gaf de geest. De stadhouder voelde zich bedrogen. Woedend beval hij het lijk buiten de stad op het open veld te dumpen ten prooi aan roofvogels en wilde dieren. Maar een raaf vatte post naast het lichaam en verjoeg alle bloeddorstige dieren. Zo konden de christenen het lichaam bergen en eerbiedig begraven.

Vincentius wordt in de iconografie voorgesteld als een diaken met een martelaarspalm in de hand. Hij heeft naast zich een rooster. Soms heeft hij ook een druiventros, een boek, één of meerdere kruiken, een sikkel of een zilveren haak, een wierookvat, kettingen (waarmee hij was vastgebonden in de gevangenis), een toren, bloemen (omdat hij in de gevangenis op scherven moest slapen, die toen hij ging liggen spontaan veranderden in bloemen) en een schip. Dat laatste is omdat zijn lijk over boord werd gegooid. Zeldzaam is dat een raaf op de molensteen zit, die hij ook bij zich heeft. Dat verwijst naar de raaf die een wolf van zijn aangespoelde lijk verjaagde. Naast Vincentius staan soms een of meerdere engelen, die hem te eten gaven toen hij vastzat.

Vincentius is de patroonheilige van dakdekkers, scholieren, steenbakkers, zeelieden, kuipers, wijnbouwers en wijnhandelaars. Hij wordt aangeroepen tegen buikpijn, koorts, zweren en ook voor het terugkrijgen van gestolen spullen.

volgende : de glazenier
vorige :de geschiedenis van de kerk