St.Vincentiuskerk Deursen


Sint Jacobus

Afgebeeld is Sint Jacbus knielend met een staf in zijn handen en een schelp op zijn jas. Naast hem twee wapens van monseigneur Diepen, bisschop van 's Hertogenbosch,resp. paus Pius XI ( de elfde)

Jakobus is de zoon van Zebedeüs en broer van de apostel en evangelist Johannes. Hij werd in Betsaida geboren. Van oorsprong waren zij vissers. Hij is een van de drie voornaamste leerlingen van Jezus, samen met Petrus en Johannes. Zij waren aanwezig op de berg Tabor en in de hof van Olijven . De broers hadden een vurig temperament en werden daarom "de zonen van de Donder" genoemd.

Na Jezus' Hemelvaart verkondigde Jakobus het Evangelie in Jeruzalem en Samaria.

Andere verhalen vertellen dat hij in Spanje de blijde Boodschap gepreekt zou hebben. Tijdens het Paasfeest in het jaar 44 werd Jakobus door soldaten van koning Herodes Agrippa I gevangen genomen en op last van de koning ter dood veroordeeld door het zwaard. Hij was de eerste van de twaalf apostelen die de marteldood stierven.

Volgens de legende zou Jakobus op zijn weg naar het schavot een lamme man, die aan jicht leed en hem om hulp smeekte, in naam van Jezus genezen hebben. Een van de beulen viel daarop op zijn knieeen en bekeerde zich tot het christelijk geloof. Samen met Jakobus werd de beul onthoofd.

Sedert onheuglijke tijden wordt hij bijzonder vereerd in Compostela (Spanje), waar een in de negende eeuw gebouwde basiliek aan hem is gewijd.

Volgens een legende zou het graf van Jakobus zich hier bevinden. Zijn stoffelijk overschot zou, nadat hij in Palestina was onthoofd, in een stenen boot zijn gelegd waarin twee van zijn discipelen meereisden. De boot bereikte vanzelf de Galicische kust (West-Spanje), waarna het dode lichaam daar werd begraven.

De schelp is het embleem van de bedevaart naar Santiago de Compostella (Santiago betekent Sint-Jakob). Het zichtbaar dragen van de schelp, op de hoed of op de jas genaaid, gaf bescherming tegen struikrovers, die de dragers uit een erecode met rust lieten (maar waarschijnlijk ook omdat ze wisten dat er bij de arme bedevaartgangers niets te halen viel).