St.Sebastianuskerk Herpen
de barmhartige Samaritaan
Afgebeeld is iemand die een gewonde man helpt drinken terwijl twee anderen met hun handen opgeheven weglopen. Een ezel eet van een boom. Het verhaal van de barmhartige Samaritaan vertelde Jezus toen er op een dag een godsdienstleraar kwam die wilde onderzoeken of Jezus' ideeën wel zuiver waren. 'Meester', vroeg hij, 'wat moet ik doen om eeuwig leven te krijgen?' Jezus vroeg: 'Wat zegt de wet van Mozes daarover?' Hij antwoordde: 'U moet van de Here, uw God houden met heel uw hart, heel uw ziel, heel uw kracht en heel uw verstand. En u moet net zoveel van uw naaste houden als van uzelf.' 'Goed!' zei Jezus. 'Doe dat en u zult eeuwig leven krijgen.' De man voelde zich aangesproken. Om zich te rechtvaardigen, vroeg hij: 'Wie is eigenlijk mijn naaste?' Als antwoord gaf Jezus hem dit voorbeeld: Toevallig kwam een priester langs. Maar toen hij de man zag liggen, ging hij aan de overkant van de weg voorbij. Een tempeldienaar die voorbijkwam, deed hetzelfde en liet de man gewoon liggen. kwam er ook iemand langs die medelijden kreeg toen hij hem daar zag liggen. Het was een Samaritaan. De Samaritaan knielde naast hem neer, verzorgde zijn wonden met olie en wijn en legde er verband om. Daarna tilde hij hem op zijn ezel en ging er zelf naast lopen. Zij kwamen bij een herberg, waar hij hem verder verzorgde. De volgende morgen gaf hij de herbergier twee zilveren munten en zei: 'Zorg goed voor hem. Mocht dit geld niet genoeg zijn, dan betaal ik de rest de volgende keer wel.' Wat denkt u? Wie van deze drie was de naaste van het slachtoffer van de roofoverval?' 'De man die medelijden met hem had', was het antwoord. 'Precies', zei Jezus. 'Volg zijn voorbeeld dan.' De weg van Jeruzalem naar Jericho is een weg van 27 km lang en het is een steile weg naar beneden. Alleen op het allerlei steilste stuk stond een uitkijkpost, maar verder nergens in het rotsachtige gebied. Voor de rovers een prachtig gebied met veel plaatsen waar ze zich konden verstoppen achter de rotsen. Deze rovers waren tot alles in staat. Toevallig komt er dan een priester langs. Het is waarschijnlijk niet zo toevallig dat Jezus juist voor deze twee mensen kiest. Maar aan een priester hoef je niet te vragen wie de naaste is. Hij zal toch wel helpen! Maar de vraag is nu hoeveel heb je over voor je naaste, want de priester is geroepen tot een uiterst gewichtige taak. Priesters mogen volgens de Joodse voorschriften namelijk geen lijk aanraken, niet direct achter de kist lopen bij een begrafenis, geen sterfhuis binnengaan, geen rouwkleding dragen of haar- en baarddracht veranderen. Het was ook nog eens zo dat als een priester dus iemand aanraakte werd hij onrein en dan mocht hij geen dienst doen in de tempel. Maar daar was nu eigenlijk helemaal geen sprake van want ook deze man ging van Jeruzalem naar Jericho, dus hij was klaar en mocht met verlof naar huis. Toch loopt hij door omdat hij zich beroept op zijn ambt. De tempeldienaar na hem doet het zelfde. Tempeldienaren konden in de tempel verschillende diensten vervullen en er waren grote verschillen in rang en stand. Zo konden ze in het koor zingen of behoren tot de tempelpolitie. Maar de leviet treedt in de voetsporen van zijn heer, de priester. Dan begint Jezus over een Samaritaan. Dit volk is bij de Joden nog meer gehaat dan gewone heidenen. De verhoudingen waren in die dagen ook erg gespannen. Deze man heeft meer haast dan de priester en de tempeldienaar, want hij is op reis als handelaar en tijd is geld. Daarnaast is voor hem het gevaar voor rovers nog gevaarlijker. Om hem aan te vallen zullen ze zich geen moment bedenken. Het zou dus normaal zijn geweest wanneer de Samaritaan zijn ezel had aangezet tot een nog hogere snelheid. Maar hij laat zijn dier stilhouden, stapt af en gaat naar de man. De gewonde man nu wordt wel bang, want een Samaritaan, kun je daar wat goeds van verwachten? De Samaritaan neemt een grote verantwoordelijkheid nu op zich, want het is een gebruik dat wanneer men een ongelukkige aanraakt, deze ook verder moest verzorgen en alle kosten voor hem moest betalen. De Samaritaan doet wat de situatie van hem eist alsof het gewoon is. Hij heeft ook de nodige kennis in huis, want de herbergier had zo een half dode man geweigerd, maar de Samaritaan was hier bekend en betaalde goed. Toch moet de Samaritaan de volgende ochtend weer verder, want dat eisen de zaken van hem. Hij betaalt dan ook twee zilvermunten voor hem zelf en de gewonde man en hij laat deze hier achter. Wel met de mededeling dat hij goed verzorgd moet worden en dat hij later de rest wel komt betalen. Ook stelt de Samaritaan zich verantwoordelijk voor verdere kosten, bijvoorbeeld dus voor als de man het niet zo halen. Dan reist de Samaritaan af. De man die helpt is de Samaritaan; de twee die weglopen zijn de priester en de tempeldienaar, die hun handen opheffen als een gebaar van verontschuldiging dat zij wegens hun verplichtingen niet kunnen helpen. |
|