St.Sebastianuskerk Herpen


verrijzenis en Jonas uit de walvis

de verrijzenis

Afgebeeld is de uit het graf opgestane Jezus met een vaandel. Voor hem twee Romeinse militairen die erg onder de indruk zijn. Op de achtergrond een groep vrouwen en daarvoor een engel. Bovenin God de Vader.

In de christelijke traditie is Pasen het belangrijkste liturgische feest.

Nadat Jezus aan het kruis gestorven was werd het lichaam door Jozef van Arimatea begraven in een soort grot waar een steen voor werd gelegd als afsluiting.

De evangelist Johannes vertelt het volgende verhaal. Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen van de opening van het graf was weggehaald. Ze liep snel terug naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd hebben.’ Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken, en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek. Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde. Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat hij uit de dood moest opstaan. De leerlingen gingen terug naar huis.

Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf, en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. ‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd.’ Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. ‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’ Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen.’ Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘meester!’ ‘Houd me niet vast,’ zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’ Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de Heer gezien!’ En ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd

Ook de andere drie evangelisten vertellen op hun manier dit verhaal. Marcus en Lucas vermelden dat er drie vrouwen naar het graf gingen : volgens Marcus : Maria Magdalena, Maria de moeder van Jacobus en Salome; volgens Lucas was heette de derde vrouw Johanna. In de achtergrond zijn de drie vrouwen afgebeeld.


Jona en de walvis

Afgebeeld is Jona die door een walvis op het strand is uitgespuwd. Op de achtergrond het schip waarmee Jona naar Spanje wilde varen.

Het verhaal van Joan en de walvis speelt in Assyrie waar de Joden in ballingschap leefden. Het is het zeer menselijke verhaal van de profeet Jona (die als weerspannig en wraakzuchtig afgeschilderd wordt), hoe hij van God opdracht krijgt om naar de bewoners van de grote Assyrische stad Ninevé te gaan en hun de keuze tussen bekering of vernietiging te geven. Jona heeft daar geen zin in en vlucht in tegenovergestelde richting, gaat aan boord van een schip dat naar Tharsish (in Zuid-Spanje) vaart, komt onderweg in een storm terecht en wordt overboord gegooid. Hij wordt verzwolgen door een grote vis en komt in de vis tot inkeer. Na drie dagen wordt hij op het strand weer uitgespuugd.

Daarna gaat Jona naar Ninevé om zijn oorspronkelijke opdracht uit te voeren. Hij predikt in de straten van Ninevé en geeft de boodschap dat de maat van de zonden van de bewoners vol is en dat God de stad zal verwoesten. Jona weet dat God een barmhartig God is en dat Hij vergevingsgezind is, maar gaat toch buiten de stad wachten tot het oordeel door God voltrokken zal worden.

bevolking bekeert zich inderdaad, en dat beweegt God om de stad te sparen. Jona, boos over deze goedheid, krijgt een nieuwe vermaning van God, ditmaal over de noodzaak genadig te zijn als iemand zich bekeert.

Het zeer oude verhaal van het weer te voorschijn van Jona uit de walvis wordt beschouwd een voorspelling van de verrijzenis van Jezus uit het graf.